Wednesday, 27 May 2015

Leren is.. klimaatverbetering

Door: Bart van den Elzen

Het weer in mei helpt de lente om zeep. Koud en nat, de koudste sinds 1991, volgens WeerOnline.1 Hoewel de lente goed begon in maart, kan het in mei dus nog steeds fris zijn. Zo niet anders in de nieuwsberichten over het onderwijs. Voorzichtige positieve nieuwsberichten over minder schoolverlaters, de prestaties van het Nederlands onderwijsstelsel en de flinke toename van het aantal excellente scholen worden afgewisseld met berichten over fikse uitval van leraren.
63 % van de startende docenten denkt aan stoppen2. Gebrek aan begeleiding en werkdruk worden genoemd als belangrijke oorzaken. Cijfers van CNV onderwijs geven tevens aan dat oudere leerkrachten steeds vaker hun baan kwijtraken3. Oorzaak: te hoge werkdruk en verstoorde verhoudingen. Een slechte werksfeer wordt door een kwart opgemerkt als reden om te vertrekken. Daarbij valt mijn oog op de generatiekloof die blijkbaar wordt ervaren en het daarbij behorende gebrek aan samenwerking. Wapens om uitval tegen te gaan zijn aanwezig en worden ingezet, maar er is meer nodig dan een goed inwerkprogramma voor starters of een degelijk ouderenbeleid. Het schoolklimaat  en de manier van samenwerking spelen een essentiële rol.

Het klimaat refereert aan het weer. Bij een warm klimaat, voelen mensen zich meer op hun gemak.  Op deze manier beïnvloedt schoolklimaat dus ook de betrokkenheid van de leraar en het gevoel ten opzichte van zichzelf en ten opzichte van collega’s. Rapti (2013) noemt respect, eerlijkheid en waardigheid ten opzichte van elkaar als datgene dat door schoolklimaat wordt beïnvloed4. Een positief schoolklimaat draagt bij aan de ontwikkeling en betrokkenheid van leerkrachten. Hoe meer open het schoolklimaat, des te meer toegewijd en loyaal leerkrachten zullen zijn4. Volgens Bontekoning (2011) is samenwerking tussen oudere leerkrachten en jongere docenten van groot belang wanneer een organisatie zich op een moderne manier wil ontwikkelen5. Hij noemt daarbij zes sleutelfactoren: er moet naar een gemeenschappelijk doel worden toegewerkt, er moet sprake zijn van nieuwsgierigheid,  er moet ruimte zijn om elkaar te bevragen en er moet naar elkaar geluisterd worden. Ook moet er de ruimte aan elkaar worden gegeven om verschillende perspectieven naar voren te brengen . Het is daarnaast van belang dat er een urgente vraag moet worden beantwoord  en tenslotte noemt hij positivisme en het zoeken naar kansen en uitdagingen. Gebrek aan deze sleutelfactoren leidt tot een laag energiewerkniveau en apathie. Dit samenwerkingsklimaat legt de basis voor een positieve werksfeer binnen een school waarbij jong en oud de ruimte wordt geboden tot een authentieke en vruchtbare samenwerking.
Om mensen met passie voor hun vak te behouden moet er op scholen voortdurend worden gewerkt aan klimaatverbetering. Net zoals een aangenaam klimaat positief bijdraagt aan onze gemoedstoestand,  zo renderen leerkrachten beter bij een positief schoolklimaat. Binnen de schoolmuren is  het klimaat te beïnvloeden. Een belangrijke rol is daarin weggelegd voor de schoolleiding als klimaatregelaar4. Dus schoolbesturen, wat wordt de weersverwachting voor de komende jaren?

Referenties
            1 http://nieuws.weeronline.nl/26-5-2015-mei-2015-koud-en-vrij-droog/
2 Van der Hulst, A. (2014). Meerderheid jonge docenten denkt aan stoppen. Geraadpleegd op 25 mei 2015, van http://www.nrc.nl/carriere/2014/09/09/meerderheid-jonge-  docenten-denkt-aan-stoppen/
3 Christelijk Nationaal Vakverbond Onderwijs (2013). Vaker ontslag 58-plussers. Geraadpleegd op 26 mei 2015, van: https://www.cnvo.nl/nc/actueel/nieuws/onderwijs-nieuws/nieuws-details/article/vaker-ontslag-58-plussers.html
4Rapti, D. (2013). School Climate as an Important Component in School Effectiveness.                         Academicus International Scientific Journal, 8, 110-125.
5Bontekoning, A.C. (2011). The Evolutionary Power of New Generations: Generations as Key Players in the Evolution of Social Systems. Psychology Research, 1, 287-301.





Saturday, 18 April 2015

Leren is.. Voorzien van 70:20:10?

Door: Ilse Flierman

“Tell me and I will forget, show me and I may remember, involve me and I’ll understand”
– Ben Franklin
Er wordt steeds meer aandacht besteed aan ervaringsgericht leren. Daar wordt vaak het  informele karakter van leren aan verbonden. Het 70:20:10 principe van Charles Jennings2 lijkt een hype te zijn binnen deze ideeën over informeel leren. Bij dit principe wordt er vanuit gegaan dat ongeveer 70% van het leren een informeel karakter heeft. Dit wil zeggen dat men leert door werkervaringen. De dagelijkse praktijk met zijn taken en uitdagingen zorgt voor het grootste gedeelte van het opdoen van kennis bij medewerkers. Daarnaast leren zij voor ongeveer 20% van elkaar, door contact met collega’s en samenwerkingen. Dan blijft er nog maar 10% over voor het formeel leren via trainingen, cursussen en dergelijke. Belangrijk is dat het management het informele leren op de werkplek ondersteunt2. Hierbij lijkt Jennings zich voornamelijk te richten op de tools die nodig om tot de juiste kennis te komen en het teweegbrengen van oefenmomenten.
Ik denk dat je hier niet ver mee komt. Wanneer medewerkers zelf geen inzicht hebben in de tools of personen die zij nodig hebben, zullen zij deze kennis niet verkrijgen. Daarnaast moeten medewerkers inzien welke kennis zij überhaupt nodig hebben. Een valkuil kan zijn dat er onbewust foute kennis, vaardigheden en attitudes worden aangeleerd4. Daarom wordt ook wel gezegd dat juist de 20% en 10% principes belangrijk zijn om tot dit inzicht te komen en dat er dan pas tot een goede toepassing van de 70% principe wordt gekomen3.
           Er zijn dan ook veel twijfels over het 70:20:10 principe van Jennings. Zo is gebleken dat hij zijn theorieën baseert op foutieve interpretaties van verouderde leertheorieën4. Moeten we de ideeën dan direct van tafel schuiven? Ik denk het niet, ondanks de tekortkomingen binnen de principes, zetten deze wel aan tot denken over leren. Dit is voor mij de belangrijkste gevolgtrekking van de ‘hype’ rond het 70:20:10 principe.
Mijn idee: een medewerker moet inzien welke kennis er nodig is, anders zal deze ook niet op zoek gaan naar de kennis. Daarnaast moet een medewerker weten hoe deze vervolgens aan de kennis komt en daarbij moet er een kritische houding ten opzichte van de kennis worden ingenomen.           
De vraag is dus hoe managers kunnen zorgen dat medewerkers zich hier bewust van worden, maar ook hoe zij de medewerkers kunnen  stimuleren. Er zullen altijd verschillen in de leergierigheid zijn tussen medewerkers. Hoe zorgt een manager dat zij zich verder kunnen ontwikkelen zonder hen naar verplichte cursussen te sturen? Zullen alle medewerkers uit zichzelf gaan leren? Hoe kom je er achter waar zich kennisbronnen binnen een organisatie bevinden? Hoe houdt het management zicht over het lerend vermogen en kennisniveau van medewerkers?
Naar mijn mening zou er eerst stil moeten worden gestaan bij deze vragen en vervolgens tijd en geld geïnvesteerd moeten worden in het stimuleren van informeel leren. Er is gebleken dat bedrijven momenteel 80% van het budget uitgeven aan formeel leren. Slechts 20% wordt besteed aan het stimuleren en mogelijk maken van informeel leren1. Er valt dus nog een hoop (anders) te doen om optimaal tot het “involve me and i’ll understand” op de werkvloer te komen!

Voor meer informatie over het 70:20:10 principe:

1Cross, J. (2007). Informal learning. Rediscovering the natural pathways that inspire 
innovation and performance. San Francisco: Pfeiffer.
2Jennings, C. (2013). 70:20:10 Framework Explainded. 702010Forum.
3Paas, F. (n.d.). 70:20:10 is geen heilige graal. Verkregen van: http://edossier.tinqwise.nl/expert/hoogleraar-fred-paas-702010-is-geen-heilige-graal/
4Vermeren, P. (2014). Review 70:20:10: Framework Jennings. Verkregen van: http://evidencebasedhrm.be/702010-framework-jennings/

Wednesday, 8 April 2015

Leren is.. voorbereid worden op nieuwe ontwikkelingen zoals MOOCs


 Door: Lindi Deeben


Het leren via MOOCs (Massive Online Open Courses) lijkt het nieuwe leren te worden van de 21ste eeuw. Universiteiten laten hun studenten steeds vaker gratis cursussen volgen via websites zoals Coursera en Udacity. De aandacht van universiteiten lijkt voornamelijk gericht te zijn op kosten reductie van fysieke colleges, de flexibiliteit en effectiviteit van lesgeven en minder op wat er daadwerkelijk geleerd wordt en hoe studenten worden voorbereid op het digitaal leren⁴.
Het leren via MOOCs zorgt ervoor dat studenten meer verantwoordelijk zijn voor hun eigen leren. Veel studenten zijn hier nog niet genoeg op voorbereid. De overgang naar meer zelfstandigheid kan daarom negatieve invloed hebben op het leren, zoals demotivatie. Naar mijn mening besteden MOOCs en universiteiten nog te weinig aandacht aan het stimuleren van vaardigheden die studenten nodig hebben om zelfstandig tot leerprestaties te komen. Studenten zijn nog niet klaar voor het leren via MOOCs.

Bij digitaal leren moet er nog meer aanspraak gedaan worden op zelfregulatie vaardigheden zoals motivatie en metacognitie. Studenten moeten dit kunnen, maar ook durven. De rol van de docent valt namelijk voor een groot deel weg³. Dat veel studenten niet klaar zijn voor het leren via MOOCs is ook terug te zien in het aantal afhakers. 80 tot 90 procent van de studenten maakt hun digitale cursus niet af⁴, wat ik schrikbarend veel vind. Ik denk dat dit het gevolg is van te weinig voorbereiding/oefening met de zelfregulatie vaardigheden, maar dat andere factoren hier ook invloed op hebben.
Zowel externe als interne factoren zijn van invloed op het afhaken van studenten². Externe factoren zoals: geld, studie-uren en steun van buitenaf,  maar daarnaast interne factoren zoals: academische en sociale integratie, zelfvertrouwen, interpersoonlijke relaties, gewoonten en absent zijn. Interne factoren zoals gewoonten en zelfvertrouwen zijn ook een oorzaak van het passieve gedrag in deze leeromgevingen. De studenten zijn deze manier van leren niet gewend. Ze voelen een mate van discomfort en willen alles perfect op orde hebben voordat ze iets online plaatsen. Vaak zijn ze onzeker omdat online plaatsen van opdrachten of opmerkingen heel formeel lijkt en publiekelijk is. In een klassensituatie verloopt dit spontaner en is er meer informele uitwisseling van kennis en gedachten. De drempel om actief mee te leren in MOOCs is nog hoog, deze drempel is in een fysieke omgeving lager².

Uit onderzoek blijkt dat digitaal leren even effectief is als traditioneel onderwijs en er geen verschillen zijn in de uiteindelijke leerprestaties en het verwerven van declaratieve en procedurele kennis. Wel blijkt dat ‘blended learning’ nog effectiever is, waarbij de twee manieren van leren gecombineerd zijn¹. Dit geeft aan dat er toch enige behoefte is aan fysiek onderwijs en begeleiding van een docent.  
Veel studenten zijn onzeker of stoppen met een digitale cursus en komen op deze manier niet eens tot een leerprestatie. Nog een oorzaak hiervan ligt in de interactie van de studenten met de docent. In het model van Tinto staat dat studenten die traditioneel onderwijs gewend waren tijdens het traditionele onderwijs meer sociale en academische integratie verkregen en daardoor meer betrokken waren en meer doorzettingsvermogen toonden dan via digitaal onderwijs².

Studenten moeten naar mijn mening beter voorbereid worden op het leren via MOOCs. Ze beschikken nog niet over voldoende strategieën, zelfregulatievaardigheden en zelfvertrouwen. Voor een deel ligt deze verantwoordelijkheid bij de universiteit, maar ook de MOOCs kunnen hier een bijdrage aan leveren. Ik denk dat MOOCs effectiever zijn wanneer de motivatie en actieve houding van studenten gestimuleerd worden. Op dit moment is dit nog minimaal en zijn studenten nog niet klaar voor het leren via MOOCs.

Benieuwd naar de effectiviteit van blended leren? Lees dan de blog van Ilse Flierman: ‘leren is.. blended or stranded?!’

Referenties
¹Dankbaar, M. (2012). Online leren: werkt dat? Opleiding en Ontwikkeling, 3, 42-7.
²Park, J.-H., & Choi, H. J. (2009). Factors Influencing Adult Learners' Decision to Drop Out or Persist in Online Learning. Educational Technology & Society, 12 (4), 207–217.
³Puzziferro, M. (2008). Online Technologies Self-Efficacy and Self-Regulated Learning as Predictors of Final Grade and Satisfaction in College Level Online Courses. American Journal of Distance Education, 22  (2), 72-89.
⁴Yuan, L., Powell, S., & CETIS, J. (2013). MOOCs and open education: Implications for higher education. Cetis   White Paper.




Wednesday, 1 April 2015

Leren is.. Samenwerken!



Door: Anke Jellema

Hechte relaties binnen een team, GOED of SLECHT voor innovatie?

De meningen hierover zijn verdeeld… Er zijn wetenschappers en professionals die ervan overtuigd zijn dat goede werkrelaties binnen een team zorgen voor de juiste randvoorwaarden voor een innovatief team 1. Teams waarvan de leden elkaar goed kennen, durven hun nek uit te steken om organisatiedoelen te behalen. Ze durven meer risico’s te nemen, en er is ruimte om fouten te maken. Dit is de ideale situatie voor leren en ontwikkelen binnen en met een team, denk je niet?

Toch zijn niet alle wetenschappers dit met mij eens. Zij beargumenteren dat juist hechte teams minder innovatief zijn omdat zij minder in aanraking zouden komen met nieuwe ideeën en praktijken van buitenaf 2,3. Hiermee impliceren zij dat teamleden in een hecht team voornamelijk contact hebben over werk met andere leden van hetzelfde team en niet met anderen. Hier zet ik mijn vraagtekens bij. Bovendien vind ik het in onze kennismaatschappij wat kortzichtig om te stellen dat mensen alleen kennis delen en nieuwe kennis opdoen in contact met elkaar. Maar stel dat het zo zou zijn dat een hecht team alleen onderling kennis uit wisselt, dan nog verwacht ik dat deze teams ook nieuwe informatie kunnen vergaren uit andere informatiebronnen (bijvoorbeeld internet/ vakbladen/ boeken/social media - BLOGS).

Een ander argument dat genoemd wordt is dat leden in een minder hecht team als het ware een brug vormen tussen verschillende netwerken en hierdoor kennis uit het ene netwerk in het eigen netwerk kunnen overbrengen2,3. Kun je deze ‘lone wolfs’ in het netwerk wel automatisch beschouwen als brug naar een ander netwerk? Ik denk het niet! Onderzoek van Granovetter 4, dezelfde auteur die tien jaar eerder minder centrale actoren als bruggen zag, heeft aangetoond dat deze theorie niet klopt en dat het meestal niet zo is dat mensen met zwakke banden binnen het netwerk fungeren als brug voor kennis.

De grote vraag blijft, ook in het geval van actoren die als brug beschouwd kunnen worden, als er onderling geen sprake is van regelmatig contact binnen het team, hoe zorg je er dan voor dat nieuwe kennis uit het andere netwerk in het eigen netwerk rondgaat, zodat anderen daar wat aan hebben?  “Leuk zo’n training, maar hoe neem ik dat mee naar mijn praktijk”, “hoe pas ik het geleerde toe”, maar vooral: “hoe zorg ik dat mijn collega’s dit ook leren?”.  

Ik denk dat hechte relaties zorgen voor meer kennisdeling en daardoor voor een lerende houding van medewerkers EN voor ruimte voor vernieuwing/ veranderingen (mits goed uitgedacht, besproken, geïmplementeerd). Belangrijk is hierbij een faciliterende/situationele/ transformationele houding van een manager/teamleider. Samenwerking en kennisdeling binnen het team zorgen voor meer innovatie.

Ik verwacht dat hier niet het laatste over gezegd is, tijdens het Symposium “21st century skills” van #svVOCUS werd er ook naar deze discussie gerefereerd. Ik ben benieuwd wat jullie hiervan vinden!

 

Referenties

1Moolenaar, N. M., Daly, A. J., Cornelissen, F., Liou, Y. H., Caillier, S., Riordan, R., Wilson, K. & Cohen, N. A. (2014). Linked to innovation: Shaping an innovative climate through network intentionality and educators’ social network position. Journal of educational change, 15(2), 99-123. DOI: 10.1007/s10833-014-9230-4
2 Blumstein, P., & Kollock, P. (1988). Personal relationships. Annual Review of Sociology, 467-490. DOI: 10.1146/annurev.so.14.080188.002343
3 Granovetter, M. (1973). The strength of weak ties. American journal of sociology, 1360-1380. Retrieved from: http://www.jstor.org/stable/2776392
4 Granovetter, M. (1983). The strength of weak ties: A network theory revisited. Sociological theory, 1(1), 201-233. DOI

Monday, 30 March 2015

Leren is.. blended or stranded?!

Door: Ilse Flierman

                Technologische ontwikkelen volgen elkaar in razend tempo op. Steeds meer scholen gebruiken computers, I-pads en digiborden. Maar worden deze technische tools wel correct toegepast? Het meegaan met de technische ontwikkelen vergt meer van scholen dan alleen het aanschaffen van deze nieuwe gadgets, er moet iets veranderen aan de traditionele onderwijsvormen. Blended learning (BL) biedt de oplossing!
                Bij BL wordt de traditionele manier van lesgeven (klassikaal) afgewisseld met een digitale onderwijsvorm. Dit is veelal toegepast én onderzocht in het hoger onderwijs. Maar is dit echt van meerwaarde voor de leerresultaten en motivatie van leerlingen? Ik ben overtuigd van wel!

                Nieuwe technologieën zorgen ervoor dat digitaal onderwijs mogelijk is, echter is er argwaan bij de voordelen hiervan. Zo zouden veel studenten minder gemotiveerd zijn door het gebrek aan face-to-face contact3. Hierdoor is er meer vroegtijdige uitstroom. Echter is klassikaal onderwijs ook niet optimaal omdat de lestijd niet flexibel genoeg ingezet wordt4.
                Een oplossing wordt geboden met BL, waarbij de nadelen van klassikaal of digitaal lesgeven worden ondervangen door de voordelen van de andere vorm van onderwijs. Zo zorgt de klassikale component voor de behoefte aan sociale interactie en kan er in de les dieper worden ingegaan op de lesstof omdat studenten zich hier vooraf, digitaal, al op ingelezen hebben. Daarnaast is er toegang tot meer informatie en wordt het zelfgestuurd leren gestimuleerd, dit alles onder begeleiding van de leerkracht4. Studenten zijn door de combinatie meer gemotiveerd, maar zorgt BL ook voor betere leerresultaten?
                Er zijn drie vormen van onderwijs vergeleken; klassikaal, digitaal en BL5. Vervolgens is er naar de uitkomsten van het samenwerkend leren gekeken. Uit dit onderzoek is gebleken dat bij het toepassen van BL het nut van het samenwerkend leren het sterkst was. Dit komt omdat de studenten verschillende mogelijkheden tot communicatie worden geboden. Doordat zij dit met BL zowel digitaal als face-to-face kunnen doen, wordt het samenwerkingsverband tussen leerlingen, maar ook met de leerkracht sterker. Deze samenwerkingsverbanden zijn belangrijk voor optimaal kunnen leren2. De online toepassing hiervan zorgt namelijk voor meer onafhankelijkheid, reflectie, focus op hoofdzaken, objectiviteit en minder afleiding. Het kritisch nadenken wordt hierdoor sterk gestimuleerd. Deze houding zorgt voor meer diepgang in de lesstof. Het belang van face-to-face onderwijs wordt ook aangegeven, om bijvoorbeeld relaties op te bouwen voordat er samengewerkt wordt.
                Uit onderzoek is gebleken dat zowel de motivatie als het slagingspercentage bij het toepassen van BL sterk verhoogt1. Er is onderzoek gedaan op vier Engelse instituten, deze hadden allemaal een hoger slagingspercentage na invoering van BL. Er was een stijging te zien in het aantal geslaagden van 12 tot wel 23 procent binnen één jaar! Merendeels van de studenten (71%) was tevreden over hun vooruitgang op school. Daarnaast was 84% gemotiveerd door de inzet van BL. Studenten die minder tevreden waren over hun vooruitgang waren toch gemotiveerd, dit biedt mogelijkheden voor de toekomst. Tot slot werden er vergelijkingen gemaakt met het nut van support dat op verschillende manieren werd aangeboden: in het college, tijdens lab-experimenten, in een boek, digitaal via animatie en in geschreven tekst. Support via digitale animatie en tijdens lab-experimenten bleek het nuttigst. Dit werd gevolgd door support van de docent tijdens college. Zo blijkt support tijdens schoolse activiteiten, en digitale support het bevorderlijkst te zijn. Deze twee vormen worden bij BL gecombineerd, voor een student kan dit de ideale situatie vormen! En ondanks het feit dat studenten aan het begin huiverig waren over de digitale component van onderwijs, was achteraf iedereen gemotiveerd om dit vaker toe te passen5.
                Bewezen is dat het leerrendement, slagingskans en motivatie van leerlingen verbeteren wanneer BL wordt toegepast. Laat de ontwikkelingen van leerlingen niet stranden, vervang stranded met blended!


Referenties:
1Boyle, T., Bradley, C., Chalk, P., Jones, & Pickard, P. (2003). Using blended learning to improve student success rates in learning to program. Journal of Educational Media, 28(2–3), 165−178.
2Garrison, D. R., & Kanuka, H. (2004). Blended learning: Uncovering its transformative potential in higher education. The internet and higher education, 7(2), 95-105.
3Islam, K. (2002). Is e-learning floundering?: Identifying shortcomings and preparing for success. E-learning, 3(5), 22-25.
4Osguthorpe, R. T., & Graham, C. R. (2003). Blended Learning Environments: Definitions and Directions. Quarterly Review of Distance Education, 4(3), 227-33.
5Rovai, A. P., & Jordan, H. M. (2004). Blended learning and sense of community: A comparative analysis with traditional and fully on-line graduate courses. The International Review of Research in Open and Distance Learning, 5(2), 1−17.

Sunday, 8 March 2015

Leren is.. inspireren

Door: Lindi Deeben       

                                                                              

“Education is not filling buckets but lighting fire”
- William Butler Yeats, 1923

Een quote van de Ierse dichter, toneelschrijver en mysticus. Mijn oog viel direct op deze opvallende stelling tijdens het lezen van het boek ‘Corporate E-learning’²

Deze tientallen jaren oude stelling krijgt nu betekenis voor mij in een heel andere context en tijd. Een quote gericht op het traditionele onderwijs van de 20e eeuw sluit nu aan bij het moderne leren zoals het gebruik van e-learning modules. Tijdens mijn stage bij een e-learning bedrijf voor de zakelijke markt ontdekte ik deze ‘nieuwe’ vorm van leren en kreeg ik hier meer vat op. Een groot verschil tussen traditioneel leren en e-learning is dat de deelnemer weinig tot geen begeleiding krijgt tijdens het doorlopen van een module op de werkplek. Het leren moet tijdens het maken van de module echt vanuit het individu komen. De aandacht wordt enkel getrokken door de elementen op het beeldscherm en de mate van interactiviteit¹. Het is daarom van belang dat de module wordt vormgegeven en ingericht zodat het de lerende inspireert en motiveert⁴.
Het risico bij e-learning is dat er enkel kennis wordt overgebracht, te vergelijken met een digitaal boek of een powerpoint presentatie in digitale vorm. De emmers moeten nu eenmaal gevuld worden, toch? Wat de Ierse Yeats in 1900 al duidelijk probeerde te maken is dat leren begint bij het motiveren en inspireren van mensen, dus niet bij het volstoppen van een ander persoon met jouw kennis. Als we nadenken over de werking van ons brein, weten we dat de aandacht van mensen getrokken moet worden. Het inzien van het nut en de relevantie van leren zijn belangrijke factoren voor motivatie³. Anders zal de inhoud ons simpelweg niet opvallen en zal er niets worden opgeslagen in ons geheugen. Het werkt nu eenmaal niet als we moeten leren, het gaat om willen leren, het nut ervan inzien en geïnspireerd raken. Het creëren van het vuur is het belangrijkste, dan komt de lerende vanzelf vragen om de inhoud voor het vullen van zijn emmers. De inhoud moet je als e-learning ontwerper, maar ook als docent kunnen aanbieden wanneer dit nodig is. De vraag die bij mij blijft branden is hoe ver we moeten gaan in het aansteken van de vuren.
Is inspireren alleen voldoende om iemand uiteindelijk tot leren te laten komen, of zijn inspiratie en kennis een gouden combinatie? Ik denk dat het start bij inspireren en motiveren, maar kennis nodig blijft om tot een zeker leerdoel te komen.

Geïnteresseerd in andere quotes en gedichten van W.B. Yeats? Neem een kijkje op: http://www.poemhunter.com/william-butler-yeats/

Referenties
¹Clark, R. C., & Mayer, R. E. (2011). E-learning and the science of instruction: Proven guidelines for consumers and designers of multimedia learning. New York: John Wiley & Sons

²Huisman, E.J. (2001). Corporate E-learning. Amsterdam: Boom uitgeverij.

³Keller, J. M., & Suzuki, K. (2004). Learner motivation and E-learning design: a multinationally validated process. Journal of Educational Media, 29(3), 229-239.

⁴Mollen, A., & Wilson, H. (2010). Engagement, telepresence and interactivity in online consumer experience: Reconciling scholastic and managerial perspectives. Journal of business research, 63(9), 919-925.

Sunday, 1 March 2015

Leren is.. timeless century skills

Door: Bart van den Elzen

Aan de monding van de rivier de Tiber woonden in 800 voor Christus herders. In het voorjaar zochten de herders beschutting in de heuvels vanwege de vele neerslag. Iedere stam had zijn eigen heuvel. Later werd besloten dat het praktischer was om elkaars heuvels te gebruiken om een sterkere nederzetting te vormen. Met een ontmoetingsplek in het centrum waar een levendige handel ontstond. Deze samenwerking tussen nederzettingen leidde tot een mijlpaal in onze geschiedenis: de stichting van Rome.
Eeuwen later praten we nog steeds over samenwerking, kritisch denken, communiceren, probleemoplossend vermogen, sociale- en culturele vaardigheden en creativiteit. En we noemen het vaardigheden van de 21e eeuw. Deze vaardigheden moeten de nieuwe generatie voorbereiden op de arbeidsmarkt van 2030, maar de 21st century skills zijn niet 21ste eeuw en onvolledig.
Eén van de meest overtuigende factoren van kennis is dat het razendsnel veroudert1. De afgelopen tien jaar is kennis verdubbeld en het verdubbelt nog steeds iedere achttien maanden3. Het is dus erg ingewikkeld om in te schatten hoe onze toekomst in 2030 er uit zal zien, laat staan om er vaardigheden aan te koppelen. Voorspellen voor 2030 is daarom een vaardigheid besteed aan de kaartenleggers, paragnosten en andere luchtfietsers van deze tijd.
Natuurlijk, mensen zijn steeds meer met elkaar verbonden en we worden meer afhankelijk van ICT. Al blijft de invulling van ook ICT-vaardigheden een black box, want hoe ziet deze wereld er over twintig jaar uit? Wordt er virtueel samengewerkt, zitten toekomstige generaties met Google Glass in de klas en wat wordt de rol van de docent? Bestaat deze nog?
In de huidige maatschappij verplaatst kennis zo snel als het licht. De omgeving en de tools waarmee geleerd wordt, veranderen de manier van leren en functioneren. Volgens Siemens’ connectivistische theorie zijn  synthetiseren, improviseren en herkennen van connecties en patronen daarbij een belangrijke vaardigheden om met gevoel beslissingen te kunnen nemen. Als de onderliggende condities voor het nemen van beslissingen veranderen, dan is de beslissing ook niet langer de juiste2. Dus waar vandaag een besluit juist kan zijn, kan deze morgen weer van tafel.  De behoefte om vandaag met 21st century skills te werken, hoeft dus niet in de behoefte van morgen te voorzien.
21st century skills, nieuwe wijn in oude zakken, maar deze vaardigheden hebben de tand des tijds goed doorstaan. Dat de Romeinen deze routines in hun tijdperk al moesten toepassen om tot nieuwe kennis te komen en dat deze vaardigheden nog steeds als relevant worden gezien, maakt het aantrekkelijk om te denken dat dit over twintig jaar nog zo is. Daarom zou “timeless century skills” wellicht beter de lading dekken. Echter, het nieuwe connectivistische denken vraagt ook om het koppelen van deze eeuwenoude vaardigheden aan bekwaamheden die ons leren omgaan met de nieuwe wetten van de informatiemaatschappij en de snelheid waarmee het kennislandschap verandert. Ook daar moeten we onze jeugd op voorbereiden, om te voorkomen dat ze in de toekomst uit pure frustratie weer allemaal op hun eigen heuvel gaan zitten.
1. González, C. (2004). The role of blended learning in the world of technology. Benchmarks    Online. Retrieved from: http://www.unt.edu/benchmarks/archives/2004/september04/eis.htm.
2. Siemens, G. (2005). Connectivism: A learning theory for the digital age. International              Journal of Instructional Technology and Distance Learning, 2, 3-10.
3. Wetmore, D. (2000). The juggling act. Training and Development, 1, 67-68.